Een mooie toekomst

Robert is de middelste van drie broers. “Eigenlijk kom ik uit een heel normaal gezin, met een lieve vader en moeder”, vertelt hij. “Ik was een moederskindje. Zij was mijn rots in de branding, mijn alles. Maar ze had veel zorgen, vooral om mijn dementerende oma die bij ons inwoonde. Ik deed alles om haar blij te maken. Daar betaalde ik een hoge prijs voor.”

Dat oma bij het Indische gezin inwoonde, was een groot geheim. “Jarenlang vierden wij geen verjaardagen. Er kwamen nooit vrienden over de vloer. De schaamte was te groot.” Robert ging zwaar gebukt onder deze druk. “Vooral blanken waren niet welkom. Mede door de oorlog was mijn moeders wantrouwen naar hen enorm.”Toen zijn oma overleed en zijn vriendin het kort daarop uitmaakte, vloog Robert tegen de muren op. “Ik was 18 jaar en woonde inmiddels zelfstandig, maar voelde me aan alle kanten ingesloten. Ik kon mijn emoties niet kwijt, ontwikkelde waanbeelden en sprong uiteindelijk letterlijk door een van mijn ruiten naar buiten. Aan de psychiater in het ziekenhuis vertelde ik dat ik al geruime tijd stemmen in mijn hoofd hoorde.” Jaren van opnames en terugvallen volgden. “Ik kwam terecht in gitzwarte dalen, leefde in het donker. Het geloof dat er mensen waren die om me gaven, verdween. Nu weet ik dat ik er niet alleen voor sta. Maar om hulp toe te laten, moet je anderen vertrouwen hè.”

Vertrouwen

Tijdens Roberts laatste opname werd ambulante begeleiding vanuit de RIBW voorgesteld. “Dat vond ik aanvankelijk heel lastig. Ik had een groot wantrouwen naar anderen, vooral naar blanken. Maar ik was alleen en voelde me eenzaam. Wat had ik voor keuzes? Na verloop van tijd realiseerde ik me dat de begeleiders van de RIBW veel gezien hadden. Ik hoefde mij niet te schamen voor mijn situatie, ik mocht hun hulp toelaten. Ik ging me zelfs verheugen op de wekelijkse gesprekken. Wat mijn begeleiders me leerden? Allereerst om mijn isolement te doorbreken en naar buiten te gaan. Ze namen me letterlijk mee voor een wandeling of een boodschap. Ondertussen praatten we over mijn verleden. Ik leerde relativeren. De problemen van anderen kan ik niet oplossen. Ik kan de wereld niet redden. Maar als ik goed voor mezelf zorg, komt de rest vanzelf.” Op aanraden van zijn begeleidster ging Robert naar een dagactiviteitencentrum. “Dit leidde mij af van de stressvolle maatschappij. Ik had er plezier en ontdekte mijn talenten. Ondertussen kreeg ik mijn huishouden en financiën met hulp van mijn begeleidster op de rit. Ook verzorgde ik mezelf steeds beter. Door de vele gesprekken kon ik zelfs anders naar mijn moeder kijken. Mijn boosheid verdween.”

Opluchting

Toch kwam de echte opluchting pas toen Robert zijn begeleidster over zijn oma vertelde. “Het was of er een last van mijn schouders viel. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me vrij. Ik wist: de komende 50 jaar zijn voor mij. Vanaf nu ga ik bouwen aan een mooie toekomst. Ik heb inmiddels een grote vrienden- en kennissenkring. Ik train pupillen bij de voetbalvereniging, ga naar de kerk en doe mee aan jamsessies in een lokaal café. Ik heb zelfs onlangs mijn verjaardag gevierd. Er waren veel blanke mensen bij.” Stiekem wil Robert nog steeds zijn jeugddroom waarmaken en profvoetballer worden. “Gelukkig houden mijn begeleiders me met beide voeten op de grond. Ze stimuleren me, maar fluiten me ook terug als ik te veel wil. Ze laten me mijn eigen pad lopen en veroordelen me niet als ik eens een verkeerde keuze maak. Ik mag zijn wie ik ben. Een psychische ziekte kan iedereen treffen, dat realiseer ik me nu. Vanuit mijn ervaring wil ik anderen helpen. Zo kan ik iets toevoegen aan deze wereld.”

Dit bericht delen via:
      
Aanmelden Stel een vraag